‘Ik heb veel vrienden verloren’: Koopvaardijveteraan Gustaaf van der Mast over WO II

Door: Dick Schaap
Foto: Karin Stroo
 
De koopvaardijveteraan Gustaaf van der Mast is een laconieke persoonlijkheid. Geboren in Rotterdam en getogen in Amsterdam. Negentig jaar oud vertelt hij in plaats van over de oorlog op  zee, liever dat hij nog graag ’s morgens een baantje trekt in het Amsterdamse Zuiderbad.
 
Naam en leeftijd: Gustaaf C. van der Mast (90)
Rang, functie: matroos ter koopvaardij
Militair actief geweest: vaarplicht WO II
Is nu: met pensioen
Hobby’s: zwemmen
Hekel aan: gezwets
Beste oorlogsfilm/-boek: De langste dag en ‘Geschiedenis van de Nederlandse Koopvaardij in oorlogstijd’ van K.W.L. Bezemer
 
Dat hij als jonge matroos op de Enngano in maart 1942 in Tjilatjap getuige was van het ‘Duinkerken’ van Java wuift Gustaaf van der Mast weg. Duizenden militairen en vluchtende burgers probeerden via deze kleine havenstad naar Australië te ontkomen. De Enngano werd door Japanse bommenwerpers naar de kelder gejaagd. "Maar de mensen zijn er allemaal levend afgekomen, hoor! Er zat in onze sloep ook een Chinese stoker. Met een sigaret in zijn hand, zei hij steeds maar: ‘Apie, apie’. Ik zei: ‘Wat moet je nou, je moet de zaak niet opruien Nelis.’ Toen smeet hij die sigaret maar weg. Wist ik veel dat api in het Maleis vuur is? Op een afstand van een paar mijl zagen wij de brand op de Enngano. We mochten niet wegvaren voordat het schip was gezonken en niet in Japanse handen was gevallen. En misschien worden de mensen er wel kwaad om: het was een prachtige brand." Van der Mast en de andere opvarenden werden opgepikt door de Tanimbar en in Colombo aan wal gezet. Daarna heeft hij ook nog een poos op de tot troepenschip verbouwde Johan de Witt gevaren.
 
De ‘dooienvaart’
Over zijn vaartijd heeft hij nooit iets opgeschreven. "Dat mocht niet. Maar die oorlog vergeet ik nooit meer. Dat vertrek uit Indië is mij het meest bijgebleven. Er lagen in Tjilatjap wel zestig schepen. Ze hadden geen tijd meer voor ons. De kapitein had de moed om te zeggen: ‘We gaan weg, jongens. Gooi de trosjes maar los.’ Die oorlog heeft mij zes jaar en drie maanden van mijn leven gekost. Nee, ik kan niet zeggen dat ik bang was in de oorlog. Van de UBoote had je altijd last, maar ook van vliegtuigen en mijnen. Ik stond eens tijdens een konvooi op de Atlantische Oceaan aan het roer. De marconist kwam op de brug. Ik zei: ‘Gaat er weer eentje?’ Hij zei: ‘Ja, er gaat er weer eentje in de buurt, maar ik denk dat wij blijven zoals we gaan.’ Je mocht in een konvooi nooit stoppen als er een schip werd  getorpedeerd. Drenkelingen mochten alleen door de achter het konvooi varende rescue-ships worden opgepikt. Ik heb gelukkig nooit naar Moermansk hoeven varen. Dat was de ‘dooienvaart’. In de oorlog ben ik wel veel vrienden kwijtgeraakt."
 
Engelse vrouw
Gustaaf van der Mast heeft zijn vrouw in de oorlog in Liverpool leren kennen. "Ik geloof niet dat ze echt bang was als ik weer weg moest. Dat moest maar lopen zoals het liep. Ik heb na de oorlog
nooit meer gevaren. Ik heb een briefje geschreven naar de koningin waarin ik heb geschreven: ‘Ik ga trouwen met een Engelse vrouw en wil vrijstelling hebben van dienst.’ In Amsterdam heb ik in de Pijp een huisje gevonden. In 2002 is mijn vrouw overleden. Ze kon prima aarden in Nederland. Ik heb een zoon, een schoondochter en vijf kleinkinderen." Hij vervolgt: "Destijds zeiden ze na mijn twee maanden verlof: ‘De KLM heeft mensen nodig.’ Maar die KLMman zei: ‘Mijnheer, u hebt veel te veel verdiend in de oorlog.’ Met andere woorden: wij kunnen u niet veel betalen. Ik zei: ‘Dat heeft mijn vrouw nog nooit gezegd. Maar laat mij hier maar poetser worden. Ik vind mijn weg hier wel.’ En mijn weg heb ik gevonden bij de KLM."